Blogpost

Dierenwelzijn, theorie en de praktijk

Gepubliceerd op
27 september 2010

Ik loop al jaren mee in de discussie over het welzijn van honden. Het lijkt wel of het gesprek over dierenwelzijn steeds meer verwordt tot een theoretisch verhaal zonder feeling met de praktijk. De dierhouder wordt hier buiten gelaten, die wordt vooral gezien als ‘slecht geïnformeerd’ en ‘met weinig kennis van zaken’.

De discussies worden vooral in ‘hogere sferen’ gevoerd. Er zijn die deskundigen die, zo lijkt het, er hun specialiteit van hebben gemaakt te weten hoe het moet met dierenwelzijn. Ze voeren een gesprek dat omgeven is met veel theoretische veronderstellingen. Ze weten precies wat goed, fout en goed fout is. Het is theoretische wereld, steeds verder af van wat dierenhouders bezig houdt. Gaan de gespreken nog wel over dieren en dierbelangen? Of gaat het  om wat ‘men vindt’ of denkt te vinden en om het sturen van de beschikbare subsidiestromen? Rondom het welzijn van dieren is een economie ontstaan die gericht is op het behartigen van eigenbelangen van organisaties.

Verrassend is, dat in die discussies vaak wordt gesteld dat de overheid meer en strengere regels moet maken. Daarbij voorbij gaand, dat niet alles met (nog) meer regels te pakken is, de overheid, streeft naar minder regels, meer eigen verantwoordelijkheid. Ze legt de verantwoordelijkheid steeds meer daar waar die hoort, bij de dierenhouders.

Zou het dierenwelzijn niet meer gediend zijn als we de discussie weghalen uit de mooie conferentiezalen? Misschien zouden we minder moeten praten óver en meer mèt dierhouders. Het gesprek zou dan meer over feitelijkheden en minder over veronderstellingen kunnen gaan. Dan hoeft  ook niet telkens een girorekeningnummer voor donaties te worden vermeld bij de dingen die niet goed zijn. En wellicht zouden we dan de dierhouders wat vaker met raad en daad kunnen ondersteunen.

Maar ja, de dierhouders, het gaat ook weer te ver om alleen maar te stellen dat ‘ze er buiten worden gelaten’. Te vaak laten ze zichzelf er buiten, zijn ze druk doende met andere zaken, met hun dieren, of met onderlinge verschillen van inzicht. Zij zouden zich beter moeten organiseren om zo vanuit hun praktische ervaring en, waar nodig, met deskundige ondersteuning gezamenlijk hun stem laten horen. Alleen dan krijgen ze de kans om hun verantwoordelijkheid te nemen en kunnen ze een volwaardige partij zijn in het WERKEN aan dierenwelzijn.