Blogpost

Moet landbouw in Nederland nog intensiever?

Gepubliceerd op
18 september 2012

WUR-topman Aalt Dijkhuizen stelt dat de groeiende wereldbevolking alleen door middel van een nog intensievere landbouw op een duurzame manier gevoerd zou kunnen worden. Een beter dierenwelzijn zal daarbij ten koste gaan van de duurzaamheid. De impliciete conclusie dat Nederland hét land moet zijn waar deze productiegroei moet plaatsvinden lijkt echter wat ongenuanceerd.

Een pleidooi voor intensievere, hoogtechnologische landbouw om alle wereldbewoners straks te kunnen voeden is op zich geen verkeerde. Maar wel met de nuance dat die intensivering en productiviteitsverbetering niet overal hoeft plaats te vinden. En met de nuance dat de Nederlandse expertise juist moeten worden ingezet om naar mogelijkheden te zoeken hoe dierenwelzijn, productiviteit en milieubewust produceren wél goed samen kunnen gaan.

In zijn recente rapport ‘Winstgevend Welzijn’ komt de Raad voor Dierenaangelegenheden tot de conclusie dat we in Nederland wel uitgeïntensiveerd zijn: de huidige protesten tegen megastallen zijn een duidelijk signaal dat een nog verdergaande instrumentalisatie van het dier in de veehouderij tegen morele, maatschappelijke bezwaren stuit. Daar ligt ook de toekomst voor de Nederlandse veehouder niet. Die moet zijn kansen pakken in de (Noordwest) Europese markt voor merkproducten met een dierenwelzijn-plus, zoals AH-scharrelpluimveevlees en Rondeel-eieren. Op die manier kan hij zich een goed inkomen verwerven op een maatschappelijk geaccepteerde manier.

Tegelijkertijd kunnen de boeren in de ontwikkelende regio’s zoals China en Afrika veel leren van de manier waarop wij in Nederland onze veehouderij in de afgelopen 70 jaar hebben ontwikkeld. En het mooie is dat ze daarbij niet onze hele ontwikkelcyclus hoeven te doorlopen, maar dat ze meteen naar de moderne productiemethoden kunnen overstappen. Een beetje zoals het met de telefonie in Afrika gaat: niet eerst via analoog naar ISDN en ADSL, maar meteen doorpakken naar digitale mobiele telefonie. Voor de veehouderij betekent dit dat er kansen liggen voor kippen in Rondeelstallen (in plaats van legbatterijen), kalveren in groepshuisvesting (in plaats van in kisten) en varkens in grote Comfort Class-stallen.

Door dergelijke systeemsprongen te maken wordt in ontwikkelende landen niet alleen de productiviteit vergroot, maar ook de milieuvriendelijkheid van de veehouderij en het dierenwelzijn daarin. De Nederlandse landbouwsector kan daar inderdaad een belangrijke bijdrage aan leveren, namelijk door het vermarkten van kennis, van kunde en van systemen. En dat is dan weer een belangrijke nieuwe ontwikkeling in het verdienmodel van de Nederlandse landbouw. “En-en” dus, in plaats van “of-of”.