Blogpost

Welzijn volgens slaven- en veehouders

Gepubliceerd op
16 januari 2010

Toen Nederlandse boeren in Suriname voor het eerst werden geconfronteerd met de vraag of slavernij toelaatbaar was, begrepen zij er niets van. Zij waren toch nette boeren? Zij sloegen hun slaven nooit zonder reden. En ze deden toch hun uiterste best om het welzijn van hun mensen te vergroten?

De slaven kregen eten, kleren, een bed en ze hoefden maar zes dagen te werken. Ze hadden weekend. Wat wil je nog meer? Veel slavenhouders zagen het als een ‘uitdaging’ om hun slaven, binnen de grenzen van het systeem, een redelijk bestaan te geven. Willem Bosman was zo’n slavenhandelaar. Weliswaar ving hij ‘negers’ in Afrika om ze als slaaf te verkopen, maar hij deed naar eigen zeggen zijn best voor deze schepselen. Ze kregen te eten en te drinken onderweg. En ja, goed, af en toe moest er iets akeligs gebeuren, zoals het brandmerken van de slaven. Bosman worstelde daar mee: ‘Deese handeling, geloof ik, komt ue wat wreed en half barbarisch te vooren; doch vermits het uit noodsakelykheid geschied, so moet het 'er so mee doorgaan; doch echter dragen wy so veel mogelyk Sorg, datse niet te hard werden gebrand, voornamentlyk de Vrouwlieden, die doch altoos wat teerder vallen.’

Wat opvalt is dat de slavenhandelaar hier, terwijl hij de brandtang hanteert, over ‘so veel mogelyk Sorg’ spreekt. Het is verleidelijk om te denken dat deze woorden alleen maar dienden ter rechtvaardiging van de misstanden. Maar die interpretatie lijkt mij geen recht te doen aan de woorden van Bosman. Het is haast ondenkbaar, maar misschien moeten we hem geloven en was hij op zijn eigen zieke manier wel oprecht in Animal Liberation 35 Years On, Public Lecture by Peter Singer, May 5th 2010

Ik kom op deze slaven omdat een soortgelijk interpretatiekwestie nu speelt in de veehouderij. Ook daar worden schepselen massaal onderdrukt, opgesloten, over lange afstanden vervoerd, verhandeld en bruut geoormerkt. En ook tijdens al dit werk spreken de handelaren van hun oprechte streven naar dierenwelzijn en ‘zorg’. Voor dierenactivisten is het, net als voor iedereen die de slavernij al lang achter zich heeft gelaten, verleidelijk om opnieuw te denken dat de handelaren nog altijd niet oprecht zijn in hun streven naar ‘zorg’. Maar wie de woorden van de veehouders nader bestudeert, komt wel degelijk veel oprechtheid tegen. Ik ben geneigd de veehouders, de veehandelaren en de bestuurders van de veesector, net als de slavenhandelaren van weleer, op hun woord te geloven. Ze willen de schepselen die hun zijn toevertrouwd wel degelijk zo goed mogelijk behandelen. Niet voor niets laten ze wetenschappelijke studies verrichten, leiden zij mensen op in eigen instituten en ontwikkelen ze sites om de laatste verzorgingsideeën uit te wisselen.

Ik ben me ervan bewust dat sommige lezers zich inmiddels zullen ergeren aan mijn vergelijking tussen slaven- en dierenhouders. Deze vergelijking is, sinds Peter Singers Animal Liberation, immers vooral populair onder radicale dierenactivisten. Dieren zijn de slaven van nu, heet het bij hen. Haast automatisch volgt daar dan op dat dat de veehouders hun dieren beroerd behandelen, en dat deze dieren ‘bevrijd’ moeten worden. Ik heb niet veel op met deze radicalen. Het gaat mij ook niet zozeer om de precieze vergelijking van dieren- en slavenhouders, als wel om het gebruik van de woorden ‘zorg’ en ‘welzijn’ in beide contexten. In het gedeelde welzijnsdiscours van slaven- en veehouders heeft dat woord ‘welzijn’ iets sussends. Wie zich inzet voor welzijn, laat zien dat hij iets goeds doet. En, zo werkt het nu eenmaal, wie goed doet, voelt minder behoefte om zich bezig te houden met de vraag of het nog beter kan. Met een beroep op hun welzijnswerk wisten de slavenhouders hun systeem te rechtvaardigen. De veehouders en -handelaren van nu doen precies hetzelfde. Ook zij maken opvallend veel gebruik van het welzijnswoord. Let er maar eens op. Het welzijnsjargon doordesemt alle speeches van de welzijnswerkers van nu – de veehouders, de supermarkten, de veeartsen, de wetenschappers die het bestaan van de kip verbeteren door 3% meer kalk in hun eten te stoppen, en de politici die de kip ieder jaar een halve centimeter meer leefruimte geven. Allemaal denken ze in termen van ‘het verbeteren van dierenwelzijn’. Hun welzijnsjargon verdoezelt, al dan niet bedoeld, de werkelijke vraag: deugt het systeem waarbinnen we naar welzijn streven eigenlijk wel?

In retrospectief is helder dat de slavernij niet deugde. Ik denk dat de tijd niet ver meer is dat we ook op de intensieve veehouderij met de nodige schaamte zullen terugblikken. Ook dit systeem walst immers over evidente belangen heen. En ooit, zo voorspel ik, zullen ook de welwillende welzijnswerkers in de veeindustrie zich moeten verantwoorden voor hun daden. Hoort u ook het hoongelach al door de rechtszaal gaan, wanneer de verdachten uitleggen dat ze altijd voor het welzijn van de dieren opkwamen en dat ze hun dieren met ‘so veel mogelyk Sorg’ omringden?

Erno Eskens is filosoof. Hij publiceerde onlangs het boek Democratie voor dieren (uitgeverij Contact, Amsterdam 2009).