pinguins, foto: Pixabay

Nieuws

Welzijn wilde dieren: uitdaging voor nieuwe generatie

Gepubliceerd op
6 augustus 2013

Veel welzijnsonderzoek is gericht op de behoeften van gedomesticeerde dieren en leidt tot verbetering van hun leefomstandigheden en vermindering van welzijnsaantasting.

De gevolgen van menselijke activiteiten op het welzijn van wilde dieren krijgt veel minder aandacht, aldus J.K. Kirkwood, auteur van het artikel ‘Wild animal welfare’.

Wilde dieren: eigenaar onbekend

Onze houding ten opzichte van vrij levende dieren en onze verantwoordelijkheid daarvoor is de afgelopen decennia veranderd. Het is te gemakkelijk om te stellen dat als we dieren houden we voor ze verantwoordelijk zijn en als we ze niet houden we het niet zijn. Door de grootte van de populatie mens (bijna 7 miljard) en de enorme ruimte die we gebruiken, oefenen we veel invloed uit op het welzijn en lot van heel veel wilde dieren. Dit geeft ons een grote verantwoordelijkheid voor deze dieren op het niveau van populatie en individu. De mate echter waarin we deze verantwoordelijkheid voelen èn er naar handelen, verschilt per individu en gemeenschap. Want, van wie zijn ze, deze dieren?

Mensheid versus welzijn wilde dieren

Mensen zijn overal en nemen veel verschillende habitats in. We gebruiken grondstoffen en produceren afval in een omvang die biologisch gezien onacceptabel is en we houden grote aantallen gedomesticeerde dieren die voedsel, ruimte en andere grondstoffen nodig hebben. Het systeem aarde is echter net een vissenkom: voedsel, ruimte en andere bronnen zijn eindig. Hoe meer de mens gebruikt, hoe minder er overblijft voor wilde dieren. Voorbeelden van de menselijke bedreiging van de levensvatbaarheid van wilde populaties zijn: inname van hun habitat, verandering van hun omgeving, inslepen van infectieziekten, en het direct doden. Veel van deze bedreigingen tasten het welzijn van individuen aan.

Welzijn beoordelen en er over beslissen

Veel mensen verstaan onder welzijn zoiets als aandacht voor door dieren bewust ervaren gevoelens, hun plezier en pijn, de kwaliteit van hun leven. We kunnen die gevoelens echter niet verzamelen en niet meten. We kunnen ‘slechts’ iets zeggen over de waarschijnlijkheid van het ervaren van gerief of ongerief bij dieren. Dit gebeurt door gebruik te maken van de biologische kennis van een dier, zijn gedrag, de klinische verschijnselen en onze eigen ervaring met gerief en ongerief. Hierdoor heeft zo’n beoordeling een objectieve en subjectieve kant. Een groot probleem hierbij is de complexiteit van het zenuwstelsel en de mate waarin een dier bewustzijn ervaart. Signalen van pijn of angst bij vissen bijvoorbeeld worden door sommige wetenschappers geïnterpreteerd als mechanische reacties op stimuli. In een discussie over wat acceptabel is en wat niet moet ook meegewogen worden hoe lang ongerief ervaren wordt en welke intentie het heeft. Hoe moeilijk dit welzijnsonderwerp is wordt duidelijk als we kijken naar de aandacht voor welzijnsverbetering van laboratoriumratten enerzijds en de geringe aandacht voor humane methoden voor het doden van wilde ratten.

Nieuwe uitdagingen

De auteur stelt dat de gevolgen van onze interacties voor het welzijn van wilde dieren te weinig aandacht krijgen. We zijn veel meer gefocust op het welzijn van gehouden dieren. Sommige signalen wijzen er op dat er verandering in komt, maar er is toch nog steeds een grote behoefte aan toezicht, onderzoek naar bedreigingen en het vinden van oplossingen. Het vinden van de financiën hiervoor is helemaal een groot probleem. Kirkwood pleit ervoor om bij het nemen van beslissingen over menselijk handelen en de gevolgen voor het welzijn van wilde dieren de Three Rs approach van Russel & Burch (1959) te hanteren.


(Bron foto: Shutterstock)