Fret. Bron: Birgit van der Laan

Dossier

Welzijn fretten

De fret (Mustela putorius furo) behoort, evenals de nerts, bunzing en otter, tot de marterachtigen (Mustelidae).

Inleiding

De fret is ontstaan door menselijk toedoen: een kruising van meerdere bunzingsoorten. De fret werd al ruim 1000 jaar voor Christus in Noord Afrika als huisdier gehouden. De Romeinen gebruikten de fret voor de jacht. De drie meest voorkomende kleurslagen zijn: wildkleur (bunzingtype), albino (wit met rode ogen), en sandy (lichtbruine poten en staart). Deze kleuren komen voor met verschillende aftekeningen.

Naar schatting worden er in Nederland zo’n 40.000 tot 50.000 fretten gehouden. Vooral als gezelschapsdier, maar soms ook voor de jacht op onder andere konijnen, muizen en ratten (fretteren). Voor het mogen uitvoeren van deze jachttechniek moet men in Nederland in het bezit zijn van een fretteervergunning.

In dit dossier worden de belangrijkste welzijnsproblemen bij fretten die als huisdier worden gehouden besproken. Welzijnsproblemen bij fretten hangen grotendeels samen met gebrekkige socialisatie, gebrek aan beweging, prikkelarme omgeving, onderlinge agressie, voedingsfouten en ziekten.

Zie het Welfare Quality dossier voor meer informatie over het meten van welzijn aan de hand van dierkenmerken.

Gebrekkige socialisatie

Moeder met pups, bron: Frettenstichting

Frettenpups leren veel van hun moeder: onder andere de grenzen van spel en agressie, positieve en negatieve omgevingsstimuli, de aangewezen plaats voor urine en ontlasting. Op deze manier kan het normale (sociale) gedrag zich ontwikkelen. Als frettenpups van de moeder gescheiden worden moeten ze minimaal 8-9 weken oud zijn. Bunzingen, de voorouders van fretten, blijven tot circa drie maanden bij de moeder. Ook moet de fret, net als honden en katten, goed gesocialiseerd worden, met een diversiteit aan omgevingsstimuli in de jonge levensfase, om later als gezelschapsdier te kunnen functioneren.

Prikkelarme omgeving

Onvoldoende variatie en afleiding leiden bij de fret tot verveling. Fretten zijn zeer onderzoekend en daarom is speelmateriaal aan te bevelen, in de vorm van dozen, tunnels, balletjes en veilige pluchen beestjes. Zorg dat de speelruimte ‘fretproof’ is. Fretten proberen namelijk overal op, onder en achter te komen.


- Helaas, uw cookie-instellingen zijn zodanig dat de Video niet getoond kan worden - pas uw permissie voor cookies aan

Gebrek aan beweging

- Helaas, uw cookie-instellingen zijn zodanig dat de Video niet getoond kan worden - pas uw permissie voor cookies aan

Fretten gebruiken hun verblijf voornamelijk als ‘hol’ om in te slapen. Bewegen doen ze vooral buiten hun verblijf, bijvoorbeeld in een ren. Fretten moeten dagelijks minimaal twee uur vrij kunnen bewegen om zo al rennend en spelend hun energie kwijt te raken. Ze zijn vaak actief bij zonsopgang en in de schemering.

Onderlinge agressie

De fret is van nature géén groepsdier. Bunzingen leven in het wild solitair en komen elkaar alleen in de paartijd tegen. Daarbuiten zullen ze hun territorium hevig verdedigen. Hoewel fretten goed alleen gehouden kunnen worden, is door domesticatie het gedrag aangepast en zijn ze socialer geworden. Veel fretten worden samen met soortgenoten gehouden. Om stress en gezondheidsproblemen te voorkomen is het beter om maximaal 3-4 fretten samen te huisvesten en alleen dieren bij elkaar te zetten die écht goed met elkaar overweg kunnen. Fretten moeten wel gecastreerd worden of een hormoonimplantaat hebben als ze samen gehouden worden.

Voedingsfouten

Steeds meer fretten worden natuurlijk gevoerd op rauw vlees en prooi, bron: Birgit van der Laan.

Een frettenmaag kan niet overweg met groente en fruit. Hondenvoer is ongeschikt omdat daar voor fretten te veel onverteerbare plantaardige producten en vezels in zitten. Het maagdarmkanaal van de fret is helemaal ingesteld op het verteren van dierlijke prooi. Voer daarom een kwalitatief zeer hoogwaardige en speciaal voor fretten gemaakte voeding met relatief veel eiwitten en vetten (en weinig koolhydraten). Het is aan te raden om voor fretten altijd voer ter beschikking te hebben.

Ziekten

Kaalheid als symptoom van beenmerg- depressie, een aandoening die veel fretten op latere leeftijd krijgen, bron: Birgit van der Laan.

Fretten zijn gevoelig voor en kunnen gevaccineerd worden tegen canine distemper (hondenziekte) en rabiës (hondsdolheid). Deze ziekten komen in Nederland niet veel voor. Parasieten (oormijt, hondenvlo), beenmergdepressie (alleen bij de intacte vrouwtjes), influenza, insulinoma, bijniertumoren, diarree, influenza, hittestress, urinestenen en congestieve cardiomyopathie kunnen ongerief veroorzaken, waarbij oormijt relatief veel voorkomt. Maagdarmproblemen komen ook vaak voor, waarbij stress en de daarbij behorende maagbacterie Helicobacter vaak een belangrijke rol spelen. Wormen komen bijna niet voor bij fretten. Fretten hoeven dus niet preventief ontwormd te worden.

Laatste wijziging aan dit dossier:

22 september 2015

Bron introfoto: Birgit van der Laan