Geiten in de wei. Bron: Wageningen UR Livestock Research

Dossier

Welzijn geiten

Geiten werden in het verleden vooral gehouden om het eigen gezin van melk te voorzien. De laatste decennia heeft de professionele melkgeitenhouderij zich snel ontwikkeld, en is de geit grotendeels verdwenen als melkleverancier voor het gezin.

Inleiding

In 2008 waren er in totaal ongeveer 355.000 geiten in Nederland, waarvan bijna 210.000 melkgeiten. Het merendeel van deze dieren wordt bedrijfsmatig gehouden (op ruim 400 bedrijven). Opvallend voor de geitenhouderij is dat ‘middenbedrijven’ vrijwel geheel ontbreken: of het aantal geiten is klein (1 tot 10) of het aantal geiten is groot (100 tot 3000). Voor de kleinere houders geldt dat dit veelal hobbyfokkers of hobbyhouders zijn die een paar dieren in het weitje bij huis willen.

Een deel van de geitenhouderijen heeft een zorgfunctie: geiten zijn door hun aard en grootte zeer geschikt als zorgdier voor de cliënten van zorgboerderijen. Een speciale categorie geitenhouders zijn de kinderboerderijen. Geiten (vooral dwerggeiten maar ook grotere rassen) zijn populair omdat ze niet schuw zijn richting mensen. Het totale aantal geiten op kinderboerderijen is echter zeer beperkt.

In dit dossier worden de belangrijkste oorzaken van welzijnsproblemen bij bedrijfsmatig gehouden melkgeiten besproken. Welzijnsproblemen bij geiten hangen grotendeels samen met moederloze opfok, lammersterfte, export van geitenlammeren, ontbreken van klimmogelijkheden, onthoornen, en infectieziekten.

Zie het Welfare Quality dossier voor meer informatie over het meten van welzijn aan de hand van dierkenmerken.

Moederloze opfok

Geit met lam, bron onbekend

In de melkgeitenhouderij is het gebruikelijk om de lammeren direct bij de moeder weg te halen in verband met ziekteoverdracht en ook om de moeders direct te kunnen melken. Hiermee is het uiten van moederlijk gedrag, wisselwerking en contact tussen moeder en jong beperkt of zelfs afwezig. Scheiden van de dieren levert veel stress op. Er zijn geitenhouders die experimenteren met het langer bijeen houden. Indien ziektes op het bedrijf voorkomen waarvoor geen genezing mogelijk is (Para-tbc en CAE), is het echter niet verstandig om lammeren bij de geit te houden zie “Infectieziekten”).

Lammersterfte

Lammersterfte bij geiten is relatief hoog. Dit kan wel oplopen tot 10%. Een belangrijke oorzaak hiervan is de moederloze opfok van geiten. Daarnaast is uitval gerelateerd aan hygiëne, management, en huisvesting. Aanbevelingen:

● Hygiëne: zorg voor droge hokken, ontsmet de naveltjes, zorg voor een minimale verplaatsing van de lammeren, meng zo min mogelijk, zorg voor een behandelprotocol;
● Management: zorg voor korte looplijnen bij de lammeren, zet de dieren op werkhoogte voor het arbeidsgemak, zorg voor een goede voorbereiding, zodat er voldoende tijd aan een lam besteed kan worden;
● Huisvesting: Vermijd tocht, houd de temperatuur en de luchtvochtigheid in de gaten.

Export lammeren

Geitenlammeren op transport, bron: Wageningen UR Livestock Rearch

De overtollige lammeren op de grote bedrijven worden grotendeels bij de zogenaamde bokkenmesters afgemest tot een eindgewicht van 8 tot 10 kg. De dieren gaan als nuchter lam (3 tot 7dagen oud) van de melkgeitenbedrijven naar de bokkenmesters en worden dan in ongeveer een maand op het eindgewicht gebracht. Deze dieren worden vaak levend geëxporteerd naar Zuid-Europa. Daar worden ze geslacht en afgezet als lamsvlees. In Nederland is de vraag naar geitenlamsvlees zeer gering. Door de weerstand tegen diertransport over lange afstanden en de transportonzekerheid door dierziektes (bijv. blauwtong) richt de sector zich steeds meer op slachten in eigen land.

Ontbreken klimmogelijkheden

Hellingopstelling in potstal, bron: HAS KennisTransfer

Hoewel er geen aanwijzingen dat het ontbreken van klimmogelijkheden geiten frustreert, hebben ze wel een natuurlijke neiging tot klimmen en een heel goed evenwichtsgevoel. Geiten klimmen gemakkelijk op rotsen, in grote bomen en andere obstakels. Ook als rustplaats zoekt een geit graag een hoge(re) positie. Er moet geen competitie om klimmogelijkheden ontstaan, want dat kan tot stress leiden (vooral risico voor ranglagere dieren).

Naast klimmen, wil een geit zich ook graag schuren om de huid te verzorgen. Onder natuurlijke omstandigheden kan dit aan bomen. In stallen kunnen hiervoor borstels en schuurmogelijkheden worden aangebracht.

- Helaas, uw cookie-instellingen zijn zodanig dat de Video niet getoond kan worden - pas uw permissie voor cookies aan

Onthoornen

close-up%20geit%20met%20hoorns.jpg

Een groot deel van de geiten wordt met hoorns geboren. Vrijwel alle gehoornde geiten worden onthoornd, met uitzondering van dieren in de biologisch dynamische geitenhouderij. Onthoornen is nadelig voor het dierenwelzijn: ook al worden dieren verdoofd, er kan nog steeds pijn tijdens en vooral na de ingreep optreden.

Gehoornde geiten zijn wel te houden, maar dit vraagt om vergaande aanpassingen in management en/of huisvesting. Te krappe of verkeerde stalinrichting is een risicofactor bij het hebben van hoorns, bijvoorbeeld als de dieren te weinig ruimte hebben om te vluchten bij rangorde gevechten (kopstoten) of omdat ze anders niet met hun kop door een voerhek kunnen.

Infectieziekten

Ecthyma (zere bekjes) bij geiten, bron: Boerenvee

Belangrijke ziekten die bij geiten voorkomen zijn:


● Zere bekjes, oftewel ecthyma: een besmettelijke aandoening van de huid slijmvliezen. Goede hygiëne is noodzakelijk. Eerste punt

● Para-tbc en CAE (caprine arthritis encephalitis): leiden tot ernstige gezondheidsproblemen. Sinds enige jaren is er ook een vaccin beschikbaar tegen para-tbc. Er is geen behandeling of vaccin tegen CAE.

● Blauwtong: virusziekte bij herkauwers, die de bloedvaten aantast. Vooral schapen kunnen ernstig ziek worden en zelfs sterven. Bij andere herkauwers, zoals runderen en geiten, verloopt de besmetting meestal milder.

● Q-koorts: Hoewel besmetting met de Q-koorts bacterie meestal symptoomloos verloopt, wordt vooral bij besmette geiten (een uitbraak van) abortus gezien.

  • Opfok geitenlammeren, bron: Wageningen UR Livestock Research

Laatste wijziging aan dit dossier:

29 januari 2016


Bron introfoto: Wageningen UR Livestock Research