Ruigpootbuizerd, bron: Pixabay

Nieuws

Agrarisch natuurbeheer had 'nauwelijks effect'

Gepubliceerd op
9 januari 2015

Beleid, ingezet in 1975, om de natuur op het boerenland weer kans te geven had 'nauwelijks effect' staat in een rapport over akkervogelbeheer in Groningen. Genoemde provincie zou uitzondering zijn.

De conclusie dat het beleid nauwelijks effect had, ondanks de vele geïnvesteerde miljarden, is gebaseerd op 'onafhankelijke grootschalige evaluaties, gepubliceerd in 2001 en 2009'. Op papier, zo schrijft Frank Berendse, hoogleraar Natuurbeheer en plantenecologie (Wageningen Universiteit) in het voorwoord, was het beleid mooi. Maar 'de implementatie bleek een stuk lastiger dan verwacht'.

Oost-Groningen noemt de hoogleraar als uitzondering, mede omdat hier sprake is geweest van een goede analyse van de problemen en het blootleggen van sleutelfactoren. Berendse doet zijn uitspraken in het rapport Analyse effectiviteit van het akkervogelbeheer in provincie Groningen; een evaluatie over het werk van Werkgroep Grauwe Kiekendief.

Gericht maatregelen inzetten

Het lijvige rapport, met daarin een 'grondige analyse' van data die jarenlang over akkervogels zijn verzameld, is (reeds) begin vorig jaar overhandigd aan een gedeputeerde van de provincie Groningen. Dit meldde de werkgroep destijds in een artikel op Natuurbericht: Evaluatie effectiviteit van het akkervogelbeheer in Groningen. Bij de overhandiging werd ook een advies aangeboden, waarin wordt gesteld dat maatregelen gericht dienen te worden ingezet in gebieden waar nog populaties voorkomen.

Veldleeuwerik: graag luzerne

Daarbij is het zaak om op die plek ook de juiste maatregelen te nemen. Berendse haalt het voorbeeld aan van faunaranden: op de verkeerde plek kunnen deze zelfs een negatief effect hebben. Op Natuurbericht is hierover te te lezen: 'Een faunarand vormt een aantrekkelijke voedselbron voor veldleeuweriken, maar broeden doen zij bij voorkeur in grasland. Helaas worden veldleeuweriken in intensief beheerd grasland meestal uitgemaaid voordat de jongen kunnen uitvliegen. Faunaranden moeten daarom niet in de buurt van intensief beheerd grasland liggen'.

Berendse voegt daaraan toe: 'Daar staat weer tegenover dat luzerne-akkers een zeer gunstige broedhabitat blijken te vormen'. In het rapport is te lezen dat het broedsucces in luzerne vele malen hoger is dan in gras doordat in luzerne minder maaibeurten nodig zijn.

Juiste plek, juist besteed

'Dergelijke informatie', stelt de hoogleraar in het voorwoord, 'is van essentieel belang omdat ze helpt om maatregelen als faunaranden, vogelakkers en wintervoedselveldjes, op de juiste plek te leggen, zodat het totale effect wordt geoptimaliseerd en de middelen van provincie en rijk op zo’n verantwoord mogelijke manier worden besteed'.

In het rapport komen naast de veldleeuwerik vele andere typische broedende en overwinterende akkervogels aan bod, zoals gele kwikstaarten, grauwe kiekendieven, velduilen, ruigpootbuizerds en patrijzen. Te lezen is onder meer over populaties, kansen en problemen.


(Bron foto: Pixabay)