Ulmus minor, foto: Pixabay

Nieuws

Menselijke invloed op de diversiteit in veldiepenpopulaties

Gepubliceerd op
23 februari 2017

Genetisch onderzoek bevestigt de menselijke invloed op de verspreiding en genetische diversiteit van veldiepenpopulaties in Nederland. Ook geeft het onderzoek handvatten om een zo groot mogelijke diversiteit aan veldiep te bewaren. Een zo groot mogelijke diversiteit is van belang bij bedreigingen als habitatverlies, ziektes en klimaatverandering.

De veldiep, Ulmus minor is van oudsher op grote schaal aangeplant. Vanaf eind 17e eeuw is men iepen gaan kweken door middel van afleggen, stekken en enten. Ook van nature vermeerdert de veldiep zich vegetatief via uitlopers en de bomen stoelen gemakkelijk uit na kap of een iepziekte infectie. Er bestaan dus veel klonen, waarbinnen alle bomen dezelfde erfelijke eigenschappen bezitten.

Joukje Buiteveld van het CGN heeft samen met onderzoekers uit België en Frankrijk een genetische studie op zes Nederlandse populaties van veldiep uitgevoerd. De resultaten zijn gepubliceerd in Plant Ecology and Evolution. De vragen die de onderzoekers in deze studie wilden beantwoorden waren:

  • Hoe staat het met de genetische variatie binnen en tussen populaties in Nederland?
  • Hoe vaak komen er klonen voor in de populaties?
  • Is de variatie in de veldiep beïnvloed door de aanplant van individuele klonen, dus door menselijk handelen?

In deze studie is blad van 164 bomen op zes locaties verzameld: in Drenthe, Zalkerbosch, Cortenoever, De Manteling, Maasheggen en Limburg. Deze locaties zijn allen natuurlijke habitats van de veldiep. De variatie in het DNA van bomen binnen en tussen de zes populaties is onderzocht door middel van microsatellieten.

Grote verschillen tussen de populaties

Er zijn grote verschillen in de genetische variatie: sommige populaties bestaan voornamelijk uit klonen, terwijl in andere, zoals Cortenoever, de meeste bomen het resultaat zijn van sexuele voortplanting. Vergeleken met andere Europese populaties is dit echter niet uitzonderlijk.

Door te kijken naar de afstanden tussen bomen van dezelfde kloon concluderen de onderzoekers dat ze ontstaan zijn door natuurlijke vermeerdering maar ook door menselijk handelen. De populatie in Drenthe bestond uit twee klonen, waarvan één in drie andere populaties voorkwam (De Manteling, Zalkerbosch en Limburg). Dit kan alleen doordat in het verleden veldiep bewust aangeplant is.

Voortbestaan veldiep

Ondanks iepziekte en weinig natuurlijke verjonging in het Nederlandse klimaat heeft de veldiep zich toch staande kunnen houden. Dit komt omdat de veldiep een groot uitstoelingsvermogen heeft en zich door worteluitlopers zich vegetatief vermeerdert. Echter op lange termijn is voor sommige populaties het voortbestaan onzeker. De onderzoekers concluderen dat deze studie kan helpen in het kiezen van de juiste genotypen voor maximale genetische diversiteit van veldiep.  Deze genotypen kunnen gebruikt worden bij herstel van natuurlijke populaties.

Inheemse iepensoorten

De veldiep komt vooral in Zuid Europa voor en Nederland ligt in het noordelijkste deel van het verspreidingsgebied. In het Nederlandse klimaat vindt er meer vegetatieve dan sexuele voortplanting plaats.  De bomen kunnen tot 500 jaar oud worden en kunnen zich goed herstellen. Van oudsher werd de soort gebruikt voor verschillende doeleinden: als hakhout, waarbij het loof als veevoer diende, maar ook als afscheiding langs wegen en paden. Ze komen van nature voor in rivier- en beekdalen, omdat ze goed tegen tijdelijke overstromingen kunnen, maar ook tegen droogte.

Ulmus glabra (ruwe iep) is een andere iepensoort die van nature in Nederland voorkomt, hoewel zeer zeldzaam. Hollandse iep (Ulmus x hollandica) is een hybride tussen de ruwe en veldiep en vanaf eind 17e eeuw werd deze hybride populair.

Uit de studie bleek dat er een aantal hybride bomen in plaats van de veldiep waren bemonsterd. Het is dus lastig om verschillende iepen morfologisch te onderscheiden. De gegevens van deze ‘niet veldiep’ monsters zijn uit de analyse gelaten.

Ulmus laevis, de fladderiep of steeliep ziet er heel anders uit dan de twee andere inheemse iepensoorten.  De steeliep komt voor langs beken, in loofbossen, in hagen, langs holle wegen en in het open veld. In de praktijk wordt hij zeer weinig aangetast door iepziekte, vermoedelijke omdat de iepenspintkevers andere iepensoorten veruit prefereren boven de steeliep.

Ex situ collectie

Te Roggebotzand is de genenbank autochtone bomen en struiken aangeplant. Hiervoor is door heel Nederland autochtoon materiaal verzameld wat bewaard wordt in deze ex situ collectie, dus buiten de natuurlijke  opstanden.  Is het noodzakelijk om veldiep ex situ te bewaren, vroegen we Joukje Buiteveld. Joukje: ‘De noodzaak is niet erg groot, de veldiep weet zich staande te houden. Van alle iepen zit alleen Ulmus laevis in de genenbank. Een ex situ (levende) collectie van U. minor (en U. glabra) is lastig omdat de soort zo vatbaar is voor iepziekte. Het zal dan als een heg (geschoren) aan geplant moeten worden. ‘

Contact: Joukje Buiteveld

(Bron foto: Pixabay)