Bron: Thinkstock

Nieuws

Stelsel agrarisch natuurbeheer steeds concreter

Gepubliceerd op
18 november 2014

Het stelsel voor Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) wordt steeds concreter. In een rapport staat in grote lijnen beschreven waarop de agrariër zich kan bezinnen gelet op staatssteun.

De overheid heeft er belang bij dat bepaalde soorten in stand blijven. Voor sommige soorten kunnen agrariërs een belangrijke rol spelen. Welke dat zijn, wordt beschreven in het rapport Nieuw stelsel agrarisch natuurbeheer. Voor ruim 300 soorten kan ANLb een internationaal relevante rol spelen, voor 70 soorten is het stelsel van belang, zo niet essentieel.

Vier typen leefgebieden

In het rapport wordt daarnaast onderscheid gemaakt tussen 4 typen leefgebieden en is te lezen in welke mate zo’n leefgebied belangrijk is voor welke soort. Concreet is ook bijlage 3 van het rapport waarin per leefgebied algemene beheermaatregelen worden beschreven. Verder is er een kaartendatabase beschikbaar gesteld via Portaal Natuur en Landschap. Hierin kan tot op lokaal niveau worden gezien waar kansrijke leefgebieden kunnen liggen.

De leefgebieden die worden onderscheiden zijn: weidefauna/open grasland, akkerfauna/open akkerrand, natte dooradering bestaand uit moeras, poelen en sloten en droge dooradering bestaand uit bos, struweel en houtwallen.

Potentie gebied en collectief

De ondernemingsvorm waarop het ANLb-stelsel zich richt is het agrarisch collectief. In het rapport is een aanzet gegeven met criteria en normen waarmee beoordeeld kan worden of het collectief zelf en het plan van het collectief (de gebiedsofferte) in aanmerking komen voor steun. Zo zou niet alleen gekeken moeten worden naar de potentie van het gebied en de vraag of doelsoorten er al dan niet voorkomen, maar ook naar de professionaliteit van de collectieven en economische efficiëntie.

Betreffende laatste wordt opgemerkt dat het budget nog niet bekend is en daar derhalve nog geen criteria en normen voor kunnen worden beschreven. De professionaliteit van een collectief kan bijvoorbeeld worden getoetst met certificering. Hieraan, meldt de opsteller van het rapport – Alterra Wageningen UR, wordt momenteel gewerkt door andere partijen.

Agrarisch inpasbaar

Kennis kan dan wel aanwezig zijn: de beheermaatregelen moeten ook tot een goed einde worden gebracht. Nog een voorgesteld beoordelingscriteria is dan ook hoe adequaat maatregelen worden uitgevoerd. De maatregelen moeten wel passen in de agrarische bedrijfsvoering. Voorgesteld wordt om in overleg te treden met agrariërs om te kijken wat tot de mogelijkheden behoort. Als gezegd wordt in bijlage 3 van het rapport alvast een algemene beschrijving van maatregelen gegeven.

Daarnaast wordt ook benoemd wat de conditie van zo’n landschap zou moeten zijn en wordt een beschrijving gegeven. Denk bij het leefgebied open grasland/weidefauna aan: bloemrijke oeverhoekjes, een kruidenrijke perceelsrand (bijvoorbeeld als kuikenstrook), een ruigtestrook, enzovoorts. Bij maatregelen, afhankelijk van het subtype grasland, kan worden gedacht aan het uitrasteren van oeverzones, beperken van verstoring door de jacht en alleen werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren.

De bijlage kan gezien worden als handreiking bij het opstarten van gebiedsprocessen en bij het maken van beheerplannen.

Zie voor meer informatie over dit onderwerp eventueel het Alterra-nieuwsbericht Handvatten voor nieuwe stelsel agrarisch natuur- en landschapsbeheer en een artikel in vakblad Landeigenaar: Nieuwe economische dragers voor bos- en natuurbeheer.


(Bron foto: Thinkstock)