Lavender, foto: Pixabay

Nieuws

Veel residuen tuincentra officieel toegelaten

Gepubliceerd op
18 maart 2015

Veel van de residuen op tuinplanten en andere gewassen in tuincentra zijn te verklaren op basis van het toegelaten gebruik en de gangbare landbouwpraktijk.

Dit blijkt uit ketenonderzoek van Praktijkonderzoek Plant & Omgeving (PPO) Wageningen UR naar aanleiding van eerder onderzoek, ingesteld door Greenpeace. In de Ketenanalyse residu gewasbeschermingsmiddelen zijn niet alle gewassen meegenomen die vorig jaar in opdracht van Greenpeace zijn onderzocht op residuen. In het Greenpeace-onderzoek (rapport: Gifplanten in het tuincentrum) zijn planten, bollen en heesters van 31 verschillende soorten onderzocht. In het ketenonderzoek zijn 10 bol- en knolgewassen, 8 tuinplanten en 2 extra gewassen onderzocht (zie rapport voor uitleg selectiemethode).

Toegelaten en gangbaar

Van de onderzochte bol- en knolgewassen kon 1 stof in 1 monster niet herleid worden tot 'toegelaten gebruik en de gangbare landbouwpraktijk'. Verder wordt gesteld dat enkele residuen het gevolg lijken van kruisbesmetting van andere teelten. Op de geanalyseerde tuinplanten trof PPO ongeveer 180 residuen aan. Ook daarvan is de conclusie dat het merendeel toegelaten en gangbaar is, met de opmerking dat vanwege 'import van het product een toegelaten toepassing in het buitenland ook reƫel' is. Betreffende een 'tiental' residuen' op tuinplanten is het 'aannemelijk dat deze het gevolg zijn van niet toegelaten toepassingen in Nederland en/of andere EU-landen'.

Onderzoeksvragen

In het onderzoek is niet alleen gezocht naar een verklaring voor het voorkomen van residuen. Ook de vraag of het verklaarbaar is dat op sommige gewassen zoveel verschillende middelen voorkomen, is beantwoord. De overige drie onderzoeksvragen luidden: 'Op welk moment en op welke plaats in de productie-/afzetketen komen deze middelen op het product terecht? ', 'Welke gehaltes zijn te verwachten op het eindproduct als een gewasbeschermingsmiddel 'volgens etiket' wordt toegepast?' en 'Welke aangetoonde stoffen zijn te verklaren door toepassing op het product en bij welke is het aannemelijk dat er sprake is van contaminatie, bijv. via overwaaien bij het spuiten, via bewaarruimtes of fust?'

Hoe giftig?

Hoewel geen onderzoeksvraag, wordt in het rapport wel iets gezegd over het risico van de gevonden residuen voor bijen. In de samenvatting is te lezen dat 'de residuen die verklaarbaar zijn op basis van toegelaten gebruik ook binnen het als veilig beoordeelde gebruik van de betreffende middelen' vallen. Betreffende de niet toegelaten en aangetroffen middelen op tuinplanten 'betrof het naast weinig en zeer weinig giftige stoffen ook een vijftal stoffen die matig tot zeer giftig zijn voor bijen'. Over de niet verklaarbare residuen op bol- en knolgewassen meldt PPO dat deze stoffen 'weinig of zeer weinig giftig' zijn voor bijen. De samenvatting sluit af met de opmerking: 'Uiteraard is ook hier de blootstelling en/of opname mede bepalend voor het daadwerkelijke risico'.

Meer informatie en kabinetsstandpunt

Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur (AVB), Anthos en de LTO Vakgroep Boomkwekerij en Vaste planten. Meer informatie over het onderzoek van Greenpeace en de nasleep daarvan is te lezen in het Groen Kennisnet-artikel Nabeschouwing 'Gifplanten in het tuincentrum'. In dit artikel ook vele links. Een reactie op het rapport en het standpunt van het kabinet zijn te lezen in de kamerbrief Verzoek om reactie op het Greenpeace-rapport 'Gifplanten in het tuincentrum'.


(Bron foto: Pixabay)