vissen, foto Pixabay

Nieuws

Visbemonstering aan de hand van DNA-stukjes

Gepubliceerd op
31 augustus 2016

Om de ecologische kwaliteit van water te meten, worden visbemonsteringen uitgevoerd met fuiken of electrovisserij. Maar je kunt ook DNA-stukjes in het water analyseren.

Met de Kaderrichtlijn Water (KRW), een Europese richtlijn die sinds 2000 van kracht is, willen de EU-lidstaten de waterkwaliteit verbeteren van aquatische ecoystemen: van het oppervlakte- en grondwater. Daarbij wordt gekeken naar zowel de chemische als de ecologische kwaliteit. Een van de kenmerken waaraan je de ecologische kwaliteit kunt meten is de visstand. Daarom voeren waterschappen en Rijkwaterstaat visbemonsteringen uit. Voor die visbemonstering, zetten ze conventionele methoden in zoals fuiken, electrovisserij en zegens. Uitgangspunt voor die bemonstering is het Handboek Hydrobiologie van STOWA.

DNA

Een nieuwe methode is de environmental DNA-methode (eDNA). Organismen die in het water leven, laten kleine stukjes DNA achter via faeces, urine en huidcellen. Je kunt die DNA-stukjes in een watermonster in het lab analyseren zodat je inzage krijgt in het aantal soorten. Je hoeft geen dieren te vangen en het kan een kostenbesparing opleveren.

Die methode is in Nederland in 2011 voor het eerst toegepast om modderkruipers op te sporen. In 2013 hebben RAVON, STOWA en verschillende waterschappen een pilot uitgevoerd voor meerdere vissen. Uit dat onderzoek bleek dat met eDNA evenveel vissen werden gevonden, als met de traditionele vangmethoden. De resultaten waren bemoedigend en gaven aanleiding voor een vervolgonderzoek dat in 2015 is uitgevoerd op 55 locaties in Nederland. Uit het onderzoeksrapport 'eDNA metabarcoding vissen' blijkt dat er met eDNA 1,6 keer meer vissoorten worden aangetoond dan met de traditionele visbemonstering.

Trefkans

In stromende wateren was het verschil het grootst (1,8x meer soorten) en in meren en plassen het kleinst (1,3x meer soorten). Enkele soorten werden opvallend vaak wel met eDNA aangetoond maar niet gevangen. Zo was de trefkans voor karper en tiendoornige stekelbaars respectievelijk 2,5 en 3,5 keer hoger met eDNA dan met de traditionele visbemonstering. De onderzoekers verklaren dit doordat het bij karpers vaak om grote alerte vissen gaat die weten te ontkomen aan de visbemonstering. De tiendoornige stekelbaars is juist heel klein en kan zo soms letterlijk door de mazen van het net glippen.

Omdat de eDNA-methode een betrouwbare, effectieve en bovendien diervriendelijke methode lijkt, wil RAVON samen met STOWA en de waterschappen een vervolgonderzoek opzetten. Hierin wordt gekeken naar de optimale bemonsteringsstrategie voor de verschillende watertypen. Daarnaast zullen de mogelijkheden om via eDNA ook een betrouwbaar beeld te krijgen van de relatieve dichtheden van vissen verder onderzocht worden.

(Bron foto: Pixabay)