Smitsveen, foto Jan Nijman

Nieuws

Beheer heideveentjes afhankelijk van doelsoort

Gepubliceerd op
7 mei 2020

Het gaat niet goed met zeldzame hoogveeninsecten. Het vermoeden bestaat dat het bos rondom veel voormalige heideveentjes daarop van invloed zijn. Maar uit onderzoek blijkt dat het van gewenste doelsoorten afhangt of zo'n boszone gekapt moet worden.

Een goed ontwikkeld hoogveen is een zuur en voedselarm milieu waarin bijzondere planten als kleine veenbes, lavendelheide, beenbreek, eenarig wollegras groeien en waar insecten leven, zoals vlinders, libellen en loopkevers. Veel soorten zoals de veenbesparelmoervlinder, het veenbesblauwtje het veenhooibeestje of de noordse glazenmaker zijn in Nederlandse veentjes verdwenen. Een oorzaak is de verandering van de milieuomstandigheden.

Veldwerkplaats

Rond veel van die veentjes is in het verleden na drainage bos aangeplant, vooral naaldbos. Dat bos heeft invloed op de milieuomstandigheden van de veentjes. Het omringende bos verdampt water wat toestroom tot de veentjes verminderd en door bladval verrijkt het omringende bos de bodem. Maar het bos houdt ook wind tegen en zorgt zo voor minder verdamping in de veentjes zelf, wat het microklimaat wat stabieler maakt. De vraag is wat het effect is van een boszone op hoogveeninsecten. Biedt een boszone voordelen? Wat is het beste beheer?

Om antwoord te geven op die vraag, is een onderzoek uitgevoerd in 40 vennen of veentjes in Nederland. De onderzoekers keken wat het effect is van boszones op de beschikbaarheid van nutriënten, op de aanvoer van organische stof en op het grondwater. Tijdens een veldwerkplaats op 29 november 2019 kwamen onderzoekers en beheerders bijeen in Dwingeloo om kennis en ervaringen uit te wisselen naar aanleiding van dit onderzoek.

Stikstofconcentraties

Uit de resultaten van het onderzoek blijk dat het effect van de boszones vooral afhangt van de lokale hydrologie en de stikstofdepositie. Boszones blijken meer stikstof in te vangen dan korte vegetaties. Zo kunnen ze stikstofconcentratie in de lucht verminderen. Wel kunnen ze door bladval, een vermestend effect hebben. maar dat affect lijkt beperkt tot de eerste tien meter. Boszones hebben bovendien een positieve invloed op de waterbalans in de veentjes. Er vindt minder verdamping plaats. De waterstand fluctueert daardoor minder.

Uit het onderzoek blijkt dat twee vlinders - de veenbesparelmoervlinder en het veenbesblauwtje - afhankelijk zijn van plantensoorten die een lage nutriëntenbeschikbaarheid en een stabiele waterstand vragen. Die omstandigheden komen met name in bosveentjes voor.

Beslisschema

Maar het eenarig wollegras, de waardplant van het veenhooibeestje, tolereert juist hogere waterstandfluctuaties en een hogere nutriëntenbeschikbaarheid. Die soort gedijt dus ook goed bij open heideveentjes. Of een bosrand gekapt moet worden, hangt dus af van de gewenste vegetatie en doelsoorten. Voor het beheer van een goed ontwikkeld hoogveen is een beslisschema gemaakt.

(Bron foto: Jan Nijman)