koeienstal, foto Thinkstock

Nieuws

Gasvormige stikstofverliezen soms groter dan gedacht

Gepubliceerd op
7 november 2019

De emissie van gasvormig stikstof uit dierlijke mest is soms groter dan gedacht. Het verschil tussen de berekende emissie en de feitenlijke emissie is bij vaste mestsoorten en bij emissiearme huisvesting het grootst. Bij de reguliere huisvesting van rundvee, varkens en pluimvee blijken de stikstofverliezen redelijk te kloppen met berekende verliezen.

Uit mest in stallen of in mestopslag kan stikstof in de vorm van gas verdwijnen. Om te weten hoeveel stikstof en fosfaat er in dierlijke mest op een bedrijf wordt geproduceerd, past het ministerie van LNV excretieforfaits toe. Voor het vaststellen van die excretieforfaits wordt een rekenmodel NEMA (National Emission Model for Agriculture) gebruikt. Maar uit onderzoek van het CBS blijkt nu dat die berekende emissies soms niet kloppen.

In werkelijkheid is die emissie soms kleiner, soms wijkt het niet af, maar bij de meeste mestsoorten is zijn de stikstofverliezen groter dan wat je met het NEMA-rekenmodel berekent. Het verschil is bij vaste mestsoorten en bij emissiearme huisvesting het grootst, schrijft het CBS in het rapport 'Stikstofverlies uit opgeslagen mest '. Het CBS analyseerde de stikstof verliezen op verzoek van de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) die wilde weten of de werkelijke verliezen in overeenstemming zijn met de berekende verliezen.

Rekenmodel

Je kunt aan de hand van de stikstof-fosfaatverhouding in mest bepalen of stikstof is verdwenen. Stikstof kan de vorm van ammoniak (NH₃), stikstofoxide (NOx), lachgas (N₂O) en stikstofgas (N₂) vervluchtigen. Fosfaat (P₂O₅) is geen gas en kan niet vervluchtigen. Door de N/P₂O₅ -verhouding van verse mest en mest die wordt afgevoerd te meten en te vergelijken, kun je bepalen hoeveel stikstof is verdampt.

Het CBS heeft stikstofverliezen berekend op basis van het verschil in stikstof-fosfaatverhoudingen bij excretie in de stal en bij mestafvoer van het bedrijf. Die berekeningen zijn voor de periode 2015 - 2017 uitgevoerd voor verschillende stalsystemen, voor rundvee, vleesvarken en pluimvee.

Bij de meeste mestsoorten is het stikstofverlies op basis van het verschil in stikstof-fosfaatverhoudingen groter dan het verlies dat berekend wordt met emissiefactoren op basis van het NEMA-rekenmodel. Bij vaste mestsoorten en bij emissiearme huisvesting is dat verschil het grootst. Alleen bij reguliere huisvesting van rundvee, varkens en pluimvee komt het stikstofverlies op basis van de N/P₂O₅ -verhouding in de buurt van het NEMA-model.

Verklaringen

In het rapport worden mogelijke verklaringen genoemd. Zo zijn de gebruikte emissiefactoren in het NEMA-rekenmodel afgeleid van metingen aan stallen met drijfmest. Omdat diezelfde factoren ook voor vaste mest worden gebruikt - daar zijn geen emissiefactoren beschikbaar - wordt de emissie voor vaste mest daardoor mogelijk onderschat.

Eenzelfde verklaring is er voor de afwijking bij emissiearme stallen. De gebruikte emissiefactoren zijn niet gebaseerd op metingen van ammoniakemissie in de betreffende stal, maar zijn afgeleid van de gemeten emissies in andere stalsystemen, waardoor je een onzekerheid inbouwt.

Het CBS concludeert dat onderschatting van de emissiefactoren voor gasvormige verliezen de meest waarschijnlijke verklaring is voor de geconstateerde verschillen. Het rapport van het CBS zorgde voor enige discussie nadat dagblad Trouw berichtte dat dat de stikstofuitstoot van rundveestallen drie keer zo hoog is dan tot nu toe wordt aangenomen. Maar in een bericht op Veeteelt.nl stelt CBS-onderzoeker Cor Pierik dat die conclusie onjuist is.

(Bron foto: Thinkstock)