mestinjectie, foto Shutterstock

Nieuws

Mestboekhouding, zo doe je dat

Gepubliceerd op
4 maart 2020

Agrarisch ondernemers die hun landbouwgrond willen bemesten, moeten elk jaar zelf berekenen of ze binnen de gebruiksnormen zijn gebleven. Een brochure legt stapsgewijs uit hoe je die berekeningen aanpakt.

Om gewassen te voeden, gebruik je mest. Omdat te veel mest - door uitspoeling van stikstof en fosfaat - schadelijk kan zijn voor het milieu, is het mestgebruik aan regels gebonden. Daarom moet je als agrarisch ondernemer aantonen dat je niet te veel mest gebruikt. Je moet zelf berekenen wat je gebruiksruimte is en of je binnen de norm bent gebleven. Hoe je dat doet, legt de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) uit in een brochure.

Hoeveel mest je per jaar mag gebruiken, wordt bepaald door gebruiksnormen. Er zijn drie soorten gebruiksnormen: er is een gebruiksnorm voor de hoeveelheid stikstof uit dierlijke mest, een gebruiksnorm voor de hoeveelheid stikstof uit alle soorten mest en een gebruiksnorm voor de hoeveelheid fosfaat uit alle soorten mest.

Gebruiksruimte

Veel informatie over die gebruiksruimte is te vinden in tabellen op de website van de RVO. Voor stikstof uit dierlijke mest geldt bijvoorbeeld een gebruiksnorm van maximaal 170 kilogram per hectare landbouwgrond. Als je een derogatievergunning hebt, mag je meer stikstof gebruiken: Voor landbouwgrond in Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant of Limburg is de norm dan 230 kilogram per hectare. Voor de andere provincies is dat 250 kilogram.

De gebruiksnorm voor fosfaat uit alle mestsoorten verschilt voor grasland en bouwland. In 2019 was de fosfaatgebruiksnorm 80 kilogram fosfaat per hectare grasland en 50 kilogram voor bouwland. Hoeveel je mag gebruiken, hangt ook af van de fosfaattoestand van de grond. Is die laag, dan mag je soms meer gebruiken.

Bemestingsplan

In de brochure wordt uitgelegd hoe je de gebruiksruimte kunt berekenen voor de drie gebruiksnormen: voor dierlijke mest, voor stikstof en voor fosfaat. Als je die berekening maakt, weet je hoeveel ruimte je hebt voor je eigen dierlijke mest, en of er aanvullend nog ruimte is voor andere mestsoorten. Je kunt zo ook bereken of je mest moet afvoeren.

Om goed in beeld te krijgen wat er mogelijk is, kun je het best een bemestingsplan maken. In dat plan beschrijf je hoeveel je van de verschillende soorten mest gaat uitrijden. Als je gebruik maakt van derogatie is zo'n bemestingsplan verplicht. Aan het einde van het jaar reken je uit hoeveel mest je echt hebt gebruikt.

Je gebruikt daarvoor verschillende gegevens: Hoeveel mest had je aan het begin van het jaar? Hoeveel mest heb je in de loop van het jaar aangevoerd. Hoeveel mest hebben de dieren op het bedrijf geproduceerd? Hoeveel mest is er afgevoerd? Hoeveel mest was er aan het einde van het jaar. En hoeveel stikstof en fosfaat zat er in die mest? Als laatste stap bepaal je of je binnen de gebruiksnorm bent gebleven.

In de brochure worden de berekening stapsgewijs toegelicht aan de hand van een uitgewerkte berekening van een voorbeeldbedrijf: het bedrijf van Abel. De RVO benadrukt dat ondernemers zelf verantwoordelijk zijn voor het uitvoeren van de berekeningen. De RVO controleert steekproefsgewijs gegevens die opgestuurd worden. Daarnaast voert de NVWA soms bedrijfscontroles uit.

(Bron foto: Shutterstock)