Rode Groninger Blaarkop (bron SZH)

Nieuws

Minder inteelt Blaarkop door het gebruik van de genenbank

Gepubliceerd op
5 oktober 2015

Gebruik van stieren uit de nationale genenbank voor landbouwhuisdieren kan de gemiddelde verwantschap en inteelt bij de Groninger Blaarkop flink verlagen.

Dat is de conclusie van recent onderzoek van SZH en CGN. Bij de op dit moment beschikbare stieren bij KI-organisaties is de verwantschap met de huidige populatie
vrouwelijke dieren vrij hoog. Tussen stieren met de hoogste en stieren met de
laagste verwantschap zit slechts een factor 2 in gemiddelde verwantschap; bij
de “genenbankstieren” is dat een factor 7.

De Blaarkoppopulatie bestaat uit ongeveer 2600 koeien. Er zijn voorouders die
relatief veel invloed op de verwantschappen in de huidige populatie hebben,
waardoor de kans op inteelt wordt verhoogd. De inteelttoename, als maat hoe de
genetische variatie in de populatie wordt behouden, is in de laatste generatie
ongeveer 1%. Het is voor het behoud van een gezonde Blaarkoppopulatie van groot
belang om voldoende stieren te blijven inzetten die minder dan gemiddeld
verwant zijn aan het ras. Indien de stieren passen bij het fokdoel van de
Blaarkopfokkers kan gebruik van stieren uit de genenbank de inteelttoename fors
verminderen.

CGN en SZH adviseren rasverenigingen om duurzaam fokbeleid te ontwikkelen en inteelttoenamebeperkt te houden. De genenbank van het CGN kan daarbij een belangrijke rol spelen en is een verzekering voor de instandhouding voor rassen op lange termijn. CGN zorgt voor voldoende diversiteit in de genenbankcollecties en vult
de genenbank regelmatig aan omdat populaties in de loop van de tijd veranderen.
CGN documenteert de collecties en geeft genetisch materiaal uit voor fokkerij
en wetenschappelijk onderzoek.

(Bron foto: SZH)