Koe in wei, foto: Thinkstock

Nieuws

Zelfde stier voor stal- en weidekoe

Gepubliceerd op
21 mei 2015

Veehouders die weidegang toepassen hoeven geen andere stieren te gebruiken dan veehouders die de koeien jaarrond op stal houden.

Naar aanleiding van discussies in de praktijk vroeg veeverbeterings organisatie CRV zich af of de interactie tussen erfelijke aanleg en milieu ook een rol speelt binnen de Nederlandse en Vlaamse melkveehouderij. Uit Wagenings onderzoek blijkt dat binnen Nederland dochters van stieren niet wezenlijk anders presteren op weidebedrijven. Daarvoor zijn de verschillen in bedrijfssystemen waarschijnlijk te klein. Dit is te lezen in het artikel ‘Beste stalkoe vaak ook beste weidekoe’ uit Veeteelt.

Analyse

Een studente dierwetenschappen aan Wageningen Universiteit analyseerde een dataset met gegevens over exterieur, productie, vruchtbaarheid en celgetal van duizenden Nederlandse koeien. Ze vergeleek de prestaties van dochters van stieren op weidebedrijven met de prestaties van dochters van dezelfde stieren op bedrijven die geen weidegang toepassen. Van de bedrijven was alleen geregistreerd of ze weidegang toepasten of niet. Over beweidingssysteem, aantal uren en dagen weidegang of niveau van bijvoeren was niets bekend. Wel zijn alleen de gegevens gebruikt van bedrijven die in de onderzoeksperiode van 2010 tot 2012 niet wisselden tussen weiden en opstallen.

Verschillen niet extreem

Uit het onderzoek komen duidelijk verschillen naar voren tussen weide- en opstalbedrijven. Zo gaven de koeien die weidegang kregen, gemiddeld minder melk, hadden ze een iets langere tussenkalftijd, een lagere conditiescore en plattere klauwen. Deze verschillen zijn echter niet het gevolg van het verschillend tot expressie komen van genetische aanleg.
Voor productiekenmerken en celgetal is de correlatie tussen weiden en opstallen bijna gelijk aan 1. Dit betekent dat de rangorde van stieren voor beide typen bedrijven nagenoeg gelijk is. Ook voor exterieur is er nauwelijks verschil tussen het tot uitdrukking komen van de genetische aanleg in de verschillende bedrijfssystemen. Ook voor vruchtbaarheidskengetallen is de overeenstemming groot.

Kanttekening

De onderzoekster maakt wel een belangrijke kanttekening. ‘De dataset bevat gegevens van een grote variatie aan bedrijven, extreme verschillen in bedrijfssystemen vallen weg in het gemiddelde. Het zou dus best zo kunnen zijn dat er wel effecten gevonden zouden worden bij een vergelijking tussen volledig opstallen en bedrijfssystemen met dag en nacht weiden met weinig bijvoeding.’ Hier staat tegenover dat het aantal bedrijven in Nederland dat intensief weidt, niet groot is. Bovendien staan ook op deze bedrijven de koeien nog een belangrijk deel van het jaar op stal.


(Bron foto: Thinkstock)