glazen bol, foto Ton van den Born

Wat brengt de toekomst?

Onderwijs leidt nu de mensen op die de toekomst vormgeven. Met alle vraagstukken die het groene domein raken, zoals klimaatcrisis en stikstof, is er in het groene onderwijs extra druk op docenten en studenten. Wat brengt de toekomst en hoe moeten we ons daarop voorbereiden?

Het onderwijs zou nog meer in samenwerking met partners in de samenleving kunnen, vindt Frank de Jong, lector Aeres Hogeschool Wageningen en hoogleraar aan de Open Universiteit. En je komt er niet met alleen aanpassingen in het curriculum. Docenten, didactiek, schoolleiding, de hele school moet mee, zegt docent/onderzoeker Stan Frijters.

Vraag je trendwatchers wat de beroepen van de toekomst zijn, dan komen ze vaak niet verder dan doortrekken van lijnen van technologische ontwikkeling, van robots, kunstmatige intelligentie, genetische manipulatie. Werkzaamheden die routinematig zijn, kunnen verder worden geautomatiseerd. Kleding komt uit 3D-printers en we knippen in DNA. Maar de ‘watchers’ die zich bij Aeres Hogeschool Wageningen buigen over de glazen bol van de toekomst, kijken anders naar deze vraagstukken. Wat moeten we nu doen in groen onderwijs om voorbereid te zijn op die toekomst?

“Ik denk sowieso dat de claim op technologie te groot is”, zegt Frank de Jong. “Die technologie roept problemen op die de technologie dan zou moeten oplossen. Kijk naar de grote machines op het land en de druk op de bodem. We zouden meer moeten kijken naar hoe dingen met elkaar in verbinding staan. Als je alleen vanuit efficiency denkt, kijk je niet verder dan je neus lang is.”

Frank de Jong.jpg

Frank de Jong, foto Ton van den Born

Het onderwijs kan responsiever, vindt hij. “Met een curriculum in groen onderwijs dat mensen voorbereidt op de complexe problemen die samenhangen met de transitie waar we instaan. Het gaat dan niet alleen om aanpassingen in dat curriculum, maar dat we echt anders gaan leren. We onderwijzen nog teveel losse feitjes zonder verband. De hele transitie gaat erom dat je niet meer geïsoleerd kijkt, maar de samenhangen beschouwt. Wat betekenen je keuzes hier voor de situatie daar? In regioleren werk je bijvoorbeeld aan een opdracht of onderwerp vanuit de samenleving. Dat kan zich versterken door ook de didactiek er beter op aan te passen.”

Klimaatdemonstraties

Naar die didactiek kijkt ook Stan Frijters. Hij coördineert innovaties op scholen die aan de slag gaan met ‘Leren voor Duurzame Ontwikkeling’. “Ik kijk met bewondering naar de klimaatdemonstraties van de jeugd nu. Ze maken zich echt zorgen over de toekomst.” Onderwijs kan zich daar rekenschap van geven en meer bij hun beleving van de actualiteit aansluiten. “Het gaat er om dat studenten als ze de maatschappij ingaan, beschikken over de informatie om verstandig te handelen. Dat ze de oorzaken kunnen aanpakken, dat ze niet alleen technische kortetermijnoplossingen leren bedenken maar een meer systemische kijk ontwikkelen.”

Stan Frijters.jpg

Stan Frijters, foto Ton van den Born

“De manier waarop we al honderd jaar lesgeven, grote groepen in een lokaal, heeft dan zijn langste tijd gehad”, vervolgt hij. “We moeten nog meer de school uit. Je kunt niet alleen meer leren door op eindtermen te toetsen als je kijkt wat er in de maatschappij gevraagd wordt. De docent van de toekomst ontwerpt leersituaties waarbij studenten bijvoorbeeld in contact komen met buurtbewoners. Die buurtbewoners komen naar school om er iets te halen.”

Goed ondernemerschap

“Als agrariër is het zaak dat je bewust omgaat met de omgeving, ook voor perspectief van het eigen bedrijf. De fruitboer van de toekomst heeft dan niet alleen fruit, maar doet allerlei zaken om het landschap in stand te houden. En indirect daarmee ook de productie van een gezonde fruitboomgaard. Er komen meer crossovers, oplossingen waarvoor je ook andere sectoren dan de groensector betrekt. Je kunt duurzaamheidsvraagstukken in de groene sector niet geïsoleerd zien, want oplossingen raken bijvoorbeeld ook de bouw en infrastructuur.”

Het vraagt ook een ander wereldbeeld, zegt De Jong daarover. “Een ander idee over goede productiemethoden en goed ondernemerschap.” Een goede ondernemer is dan iemand die weet wat de impact is van zijn keuzes en oplossingen bedenkt die duurzaam zijn en geen schade toebrengen.

Onderzoekende professionals

De school en iedereen die daar werkt moet zich zelf ook aanpassen. Frijters: “Je kunt het voor de leerlingen en studenten niet maken dat je alleen theoretisch duurzame ontwikkeling leert, maar dat je als school dat in je doen en laten als het ware ontkent.”

Hij noemt een school in Zaandam waar studenten de afvalstromen op school hebben onderzocht en daar een experimentele biovergister voor hebben gemaakt. Er staat nu een ‘echte’. “Ze onderhouden die zelf. Maar ruimte geven voor zoiets vraagt een ander docentschap. Met dit soort ervaringen in onderwijs, gaan studenten zodra ze de school verlaten anders de maatschappij in. Het maakt ook dat ze betere keuzes kunnen maken in hun loopbaanontwikkeling. Ze worden zo meer onderzoekende professionals die hun perspectieven kunnen bijstellen als dat nodig is.”

Samen doen

“Met de transitie naar een onderwijssysteem waarin je zo je eigen kennis construeert, verandert ook de professionaliteit van de docent”, zegt De Jong. “Dan kijk je ook naar de politiek die dat zou moeten faciliteren.”
Over vijf jaar, vraagt De Jong. “Ik hoop dat de school dan openstaat en samenwerkt met stakeholders in de omgeving aan onderwerpen in en buiten de regio. Overheid, bedrijven, maatschappelijke organisaties, buurtbewoners en belangengroepen. Responsief op wat er in de samenleving gebeurt, want dan kun je echt voor de toekomst opleiden.”

“Niveaus doen er niet echt toe”, vervolgt hij, “want ook niveau 2’ers hebben hun talenten. Ik zie soms mensen dingen doen in hun privésfeer waarvan ik denk: wow! En waarom komt dat er in het onderwijs niet uit? Onderwijs wordt idealiter ook meer peer learning waar je van en met elkaar leert. Zoals ze straks ook in hun werk in teams functioneren. Kennis ontstaat dan in doen, en vooral in samen doen met je omgeving.”

Tekst en fotografie: Ton van den Born