Nieuws

Wat zijn referentiewaarden?

Gepubliceerd op
19 april 2021

Wekelijks komen er veel vragen binnen bij het Netwerk Praktijkbedrijven. Elke nieuwsbrief wordt één vraag uitgelicht. Deze keer is dat: ‘Binnen het Netwerk Praktijkbedrijven gaan 40 bedrijven aan de slag met het reduceren van ammoniak- en methaanemissies met een doelstelling van 15 tot 30%. Hoe zijn deze percentages tot stand gekomen en vanaf welk moment geldt deze referentiewaarde?’

De doelstelling

Voordat we op deze vraag antwoord kunnen geven gaan we terug naar de basis van het Netwerk Praktijkbedrijven: in dit project staan 10 onderzoeksbedrijven en 30 demonstratiebedrijven aan de lat voor het integraal reduceren van ammoniak- en methaanemissies. Aan de onderzoeksbedrijven is een reductiedoelstelling van 20-30% gesteld, waarbij voor de demonstratiebedrijven een reductie van 15-30% wordt beoogd. Deze reductiedoelstellingen komen ruwweg overeen met de opgave die de melkveehouderijsector (Nederlandse Zuivel Organisatie en LTO Nederland) voor 2030 voor zichzelf heeft geformuleerd. Het Netwerk wil die reductie sneller realiseren, namelijk al in 2024. Een pittige maar uitdagende opgave!

Referentiewaardes

Bij de monitoring van deze reductiedoelstellingen wordt onderscheid gemaakt tussen:

  1. de deelnemende melkveebedrijven in het Netwerk gezamenlijk als groep en
  2. de reductie van de individuele melkveebedrijven afzonderlijk.

Bij de groepsmonitoring (1) gaan we uit van het gemiddelde van de individuele bedrijven. Voor het vaststellen van de referentiewaarde voor de deelnemers van het Netwerk – als groep – sluiten we aan bij de ‘Duurzame Zuivelketen’ en het Klimaatverdrag van Parijs. Hierbij wordt:

  • de methaanreductie ten opzichte van de emissie in 1990 uitgedrukt in kg CO2-eq per kg melk. Hierbij is het totaal omgerekend naar CO2-eq per kg door de totale emissie (in megaton) CO2-eq te delen door de hoeveelheid geproduceerde kg melk (in miljarden kg). Nagenoeg komt dit overeen met de methaanemissie in 2017;
  • de ammoniakreductie t.o.v. de emissie in 2011 uitgedrukt in kg ammoniakemissie per ton melk.

Bij het vaststellen van de referentiewaarde voor de individuele melkveehouderijbedrijven (2) in het Netwerk wordt uitgegaan van: 

  • een methaanreductie t.o.v. de score in de KringloopWijzer in 2020, uitgedrukt in kg methaanemissie op bedrijfsniveau.
  • een ammoniakreductie t.o.v. de score in de KringloopWijzer in 2020, uitgedrukt in kg ammoniakemissie op bedrijfsniveau.

Deze groepsreferentie (1) geeft inzicht in hoe het Netwerk Praktijkbedrijven zelf als groep scoort ten opzichte van de rest van de gehele melkveesector. De individuele referentie (2) daagt de deelnemers vooral uit om het beste uit zichzelf te halen. Bedrijven binnen het Netwerk die al heel scherp scoren met hun bedrijfsemissies in 2020 dagen we uit hun best doen om nog verder te komen. 

Meeteenheid

De emissies bij de individuele bedrijven in het Netwerk worden bewust uitgedrukt in kg emissie per bedrijf in plaats van per kg melkproductie. Het is immers de uitdaging om in absolute zin de totale emissie aan methaan en ammoniak in Nederland te reduceren, dus in kilogrammen ammoniak en emissie.

Voorbeeld

Bedrijf X met huidige bedrijfsemissie 4.000 kg NH3. Reductiedoel 15-30% betekent 600 tot 1200 kg NH3 emissie verlaging. Bij een gelijkblijvende melkproductie zal dan ook de emissie per kg melk dalen met 15 tot 30%. Bij een mogelijke toename van de totale melkproductie op het bedrijf blijft de opgave om de totale emissie met 600 tot 1200 kg NH3 te reduceren. De procentuele reductie opgave bij groei van de totale melkproductie op het bedrijf, uitgedrukt in kg NH3 emissie per kg melk, zal hierdoor toenemen.

Het resultaat

We hebben vertrouwen dat de deelnemende melkveebedrijven met de juiste combinatie van maatregelen erin slagen om de emissies op hun bedrijf te reduceren. Samen staan we aan de lat om juist die (oude en nieuwe) maatregelen voor de verschillende type bedrijven boven water te halen. Deze gezamenlijke invulling van praktijkonderzoek levert sowieso antwoorden op de vraag ‘waarom’. Waarom lukt het met dezelfde maatregel bij de een beter dan de ander? Waarom lukt het bij dezelfde bedrijfstypen de een wel en de ander minder goed? Wat maakt dat de reductiedoelen wel of minder goed haalbaar zijn? Welke (nieuwe) kennis komt naar voren uit deze bedrijven en lopende onderzoeken? Hoe inpasbaar is de nieuwe kennis? Als blijkt dat de bedrijfspraktijk, bijbehorende reductiedoelen en gewenste resultaten niet bij elkaar komen dan is er iets om over door te praten. Doelstellingen zijn immers opgenomen in de klimaatwet (algemeen voor alle sectoren in Nederland: 49% reductie in 2030, doelstelling voor de melkveehouderij ruwweg 25%) en de stikstofwet (50% reductie in 2035). Voor zowel de sector als het (toekomstige) beleid zijn realiseerbare doelen van belang voor de ontwikkeling van verdere wet- en regelgeving op het gebied van klimaat.